Werken aan zuivere lucht is van levensbelang
Iedereen in Vlaanderen wil gezonde lucht inademen, maar dat blijft een uitdaging. Onze regio is een lappendeken van lokale knelpunten met intense bebouwing en een dicht wegennet. Fijn stof bijvoorbeeld blijft in onze lucht aanwezig en heeft concrete gevolgen voor onze gezondheid. Daarom probeert de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) gezonde lucht te creëren voor de huidige en toekomstige generaties. Zo wil de VMM steden en gemeenten helpen om samen met burgers de kwaliteit van onze lucht te monitoren en oplossingen uit te denken. Binnen het CityTRAQ-project lopen momenteel in Gent, Antwerpen en Brugge een aantal pilootprojecten die de oorzaken en gevolgen van luchtvervuiling zowel voor beleidsmakers als burgers proberen zichtbaar te maken, met als finaal doel bewustere mobiliteitskeuzes te maken.
Christophe Stroobants, teamverantwoordelijke Geïntegreerd project Lucht en Modellering, en Celien Van Gorp, projectcoördinator, beiden verbonden aan VMM, hebben een gezamenlijke missie: burgers en beleidsmakers in Vlaanderen meenemen in een sterk onderbouwd verhaal van betere luchtkwaliteit.
Een hotspot van fijn stof
Wat is de situatie in Vlaanderen momenteel op het vlak van luchtkwaliteit, als je ons vergelijkt met de rest van Europa bijvoorbeeld?
Christophe Stroobants: Je mag zonder twijfel stellen dat Vlaanderenbreed dezelfde uitdagingen de kop opsteken. Ons wegennet, onze bebouwing en onze industrie en landbouw zorgen er samen voor dat we ons als regio op het vlak van luchtkwaliteit in West-Europa kunnen meten aan typische hotspots zoals de Povlakte in Italië. Zowel voor fijn stof als stikstofdioxide liggen er duidelijke uitdagingen op de plank. Voor fijn stof ligt dat deels maar minder aan het verkeer, vooral de uitstoot van huishoudens ten gevolge van houtverbranding speelt een aanzienlijke rol. Europa verstrengde in april 2024 de wettelijk bindende grenswaarden met betrekking tot luchtkwaliteit met ongeveer een factor 2. In 2030 wil het Vlaamse luchtbeleid bovendien de blootstelling aan ongezonde lucht halveren ten opzichte van 2016. Ook de Wereldgezondheidsorganisatie, die zich baseert op gezondheidseffecten, hanteert strenge advieswaarden, strenger nog dan de Europese regelgeving. Luchtvervuiling is volgens hen het grootste milieugezondheidsrisico in Europa. Voor fijn stof, stikstofdioxide en ozon overschrijden we in Vlaanderen de WGO-advieswaarden op bijna alle meetplaatsen. In het Vlaams luchtbeleidsplan streven we ernaar om die WGO-advieswaarden in 2050 te halen.
Zijn de gezondheidseffecten van een slechte luchtkwaliteit effectief meetbaar?
Christophe Stroobants: Jazeker. Zo weten we dat fijn stof, stikstofdioxide en ozon de drie stoffen zijn met de grootste gezondheidsimpact en dat ze vroegtijdige sterfte veroorzaken. Vooral fijn stof wordt onderschat. In 2023 waren er naar schatting in Vlaanderen ongeveer 3500 (!) vroegtijdige sterfgevallen door fijn stof. Maar er zijn ook langdurige effecten op de levenskwaliteit van jong en oud. Luchtwegklachten en -infecties zoals hoesten, astma, irritatie van de slijmvliezen, verminderde longfunctie en chronische luchtwegaandoeningen zijn schering en inslag voor kinderen en ouderen. Er is ook een duidelijk aanwijsbare link met diabetes. Als je al die medische kosten mee in rekening zou brengen, dan gaat het om astronomische bedragen.
We willen met het CityTRAQ-project lokale beleidsmakers ondersteunen zodat ze een wetenschappelijk onderbouwd lucht- en mobiliteitsbeleid kunnen voeren.
Meten en aanpakken
Hoe breng je die globale doelstellingen op het vlak van luchtbeleid naar het lokale niveau?
Christophe Stroobants: Dat is exact wat we met ons CityTRAQ project willen doen: lokale beleidsmakers ondersteunen zodat ze een wetenschappelijk onderbouwd lucht- en mobiliteitsbeleid kunnen voeren. We verzamelen alle relevante informatie zoals verkeerstellingen, luchtkwaliteitsmetingen, industriële uitstootgegevens in onze tool voor online knelpuntanalyse - daarin zie je trouwens mooi hoe fijnmazig onze modellen zijn. Als lokale beleidsmaker krijg je zo eenvoudig zicht op de plaatselijke hotspots. Maar daar laten we het niet bij. We bieden binnenkort ook een scenariotool aan, waarmee je de impact van maatregelen, zoals een mobiliteitsingreep, kan simuleren. Zo krijgen de besturen oplossingen aangereikt waarvan ze het effect kunnen monitoren. Concrete maatregelen leiden zo tot concrete impact.
Celien Van Gorp: We willen inzetten op een participatief beleid, waarbij lokale besturen en burgers samen de luchtkwaliteit meten én nadenken over mogelijke oplossingen. Zo vergroten we het draagvlak nog voor de invoering van luchtkwaliteitsmaatregelen. Een mooi voorbeeld daarvan is ons project in Gent. In een co-creatieve workshop met leerlingen gingen we na hoe je luchtkwaliteit - iets dat niet zichtbaar is - zichtbaar kan maken voor iedereen. Zo kwamen de leerlingen met de idee om een robot aan de ingang van de school te plaatsen. Met een high-five registreerde deze robot of de leerling met de auto, de fiets of te voet kwam. We ontwikkelden de robot samen met imec en zorgden er voor dat de leerlingen, leerkrachten en ouders de link legden tussen het door hen gekozen vervoermiddel en de luchtkwaliteit. Bovendien maten we drie weken lang in real time de luchtkwaliteit in de schoolstraat en in een straat vlakbij. De gemeten concentraties toonden we op een scherm bij de ingang van de schoolstraat, naast weetjes over luchtkwaliteit. De robot, de metingen en weetjes maakten het onderwerp vlot bespreekbaar aan de schoolpoort. Tot slot gingen de leerlingen van het vijfde middelbaar op stap in de omliggende straten, waar ze met behulp van mobiele fijnstofsensoren de bronnen van luchtvervuiling konden meten. In de klas bogen ze zich over deze data en dachten ze na over oplossingen en een aanpak om de luchtkwaliteit te verbeteren. De slotsom is dat zowel ouders als kinderen zich sterker bewust zijn van hun mobiliteitskeuzes en de impact ervan op de luchtkwaliteit. Of ze daardoor in de toekomst vaker de fiets zullen nemen in plaats van de auto zal imec samen met de stad Gent in een enquête onderzoeken.
Betrek iedereen zoveel mogelijk bij de start van het project. Zorg ervoor dat er wederzijds vertrouwen is en er ruimte is voor aanpassingen aan mogelijke geplande maatregelen.
Opschalen
De pilootprojecten van CityTRAQ in Antwerpen, Brugge en Gent hebben een gezamenlijke factor: het belang van dataverzameling.
Celien Van Gorp: Inderdaad, data zijn belangrijk om op een objectieve manier na te gaan wat de impact is van een beleidsmaatregel, of om een actuele situatie te onderzoeken na invoering van een maatregel zoals bv. een verkeersknip of een advies rond houtstook. Inwoners kunnen bij ons trouwens fijnstofsensoren ontlenen, via de website van Samen voor Zuivere Lucht, waar ook heel wat inspirerende voorbeelden terug te vinden zijn van samenwerkingen met lokale besturen en burgers rond luchtkwaliteit.
Weten de lokale besturen jullie te vinden als ze de luchtkwaliteit in hun regio willen aanpakken?
Christophe Stroobants: Ja en neen. Er is zeker belangstelling voor een gerichte aanpak van de luchtkwaliteit, maar de hotspots, de knelpunten op het vlak van luchtvervuiling, zijn momenteel nog niet genoeg gekend. Het blijft belangrijk om besturen actief te benaderen en op fora onze kennis erover te delen. Daarom organiseren we training en webinars waarin je leert hoe je een knelpuntanalyse uitvoert, impact simuleert en lokaal beleid vorm kan geven. Steden en gemeenten kunnen ook bij ons terecht voor één-op-één samenwerkingen waarbij we zo’n traject van knelpunten tot oplossingen in de diepte samen uitwerken. Ons contacteren kan ook via de website van Samen voor Zuivere Lucht. We zijn bovendien voorstander van een transversale aanpak waarbij we in een wijk tegelijkertijd uitdagingen rond luchtkwaliteit, mobiliteit, klimaat, ruimtelijke ordening enz. aanpakken. We willen onze CityTRAQ-initiatieven opschalen en koppelen aan applicaties in andere domeinen, in lijn met de Digital Twin-gedachte. We zijn momenteel beperkt in capaciteit tot een tweetal één-op-één trajecten per jaar, maar we zoeken steeds naar bijkomende financiering om ook die werking op te schalen. Als we de EU-doelstellingen in Vlaanderen willen behalen dan zullen we daar ook toe genoodzaakt zijn. Onze focus ligt omwille van CityTRAQ momenteel sterk op vrachtverkeer en mobiliteit, maar ook fijn stof en houtverbranding en industriële uitstoot vragen om onze aandacht.
Hebben jullie een tip voor beleidsverantwoordelijken bij de uitrol van burgerwetenschapsprojecten?
Celien Van Gorp: Betrek iedereen zoveel mogelijk bij de start van het project. Zorg ervoor dat er wederzijds vertrouwen is en er ruimte is voor aanpassingen aan mogelijke geplande maatregelen. Als je samen metingen uitvoert, is het zeker ook een meerwaarde om met al de betrokken partijen te kijken naar de data en zo op een objectieve manier te kijken hoe de huidige situatie is en bv. wat de impact is van een genomen maatregel. Een samenwerking met scholen biedt enorm veel kansen voor een bestuur. Via de leerlingen wordt de boodschap veel breder verspreid naar ouders, andere leerlingen en vrienden, wat de impact vergroot.
Christophe Stroobants: Wat mij betreft is dat het belang van dialoog. Ik bedoel dan de dialoog van persoon tot persoon. Wij realiseerden naast groepslezingen ook Datacafé’s, dat gaan we blijven doen, net omdat we inzien dat een gesprek van 1 op 1, van een expert met een burger zo’n grote meerwaarde heeft. We zullen blijven inzetten op discussies in de diepte en uitwisselingen met burgers in Datacafé’s, die persoonlijke interactie is extreem waardevol omdat je zo veel beter begrijpt waar weerstand vandaan komt en samen oplossingen kan bedenken.